Verdriet om een treurwilg

Treurwilg

De schuilplek uit mijn jeugd is dood. Vandaag zag ik het opeens, toen ik met mijn vader naar het park toe reed. Hij werd geduwd in een rolstoel, omdat in zijn hoofd steeds meer weggetjes verstoord raken en hem doen slingeren van vroeger naar nu, van werkelijkheid naar fantasie.  Woorden worden hem ontstolen, net als zijn evenwicht.
De treurwilg staat er treurig bij tussen trotse oude loofbomen, die de tijd nog steeds doorstaan. In de volle lente laat hij zijn kale wintertakken zien.  Terwijl ik met mijn vader praat en naar de boom kijk, word ik teruggebracht naar mijn kindertijd.

Buiten spelen
Voor mijn gevoel was ik altijd buiten en speelde ik zonder enig toeziend oog. Na een dag op school, dronk ik thuis gekomen mijn kop thee met heel veel melk, at een koek en maakte me uit de voeten. Opgewekt trok ik de achterdeur achter mij dicht en riep: Ik ga spelen! Het spel bracht mij vaak bij het bosje bij de Slingebeek. Ik plakte er mijn kleren vol met kleefkruid en probeerde de zaden van het springkruid te laten schieten. De zon werd gefilterd door de bosjes en de bomen waar ik met anderen een fantasiewereld bouwde tussen hemel en hel.

Treurwilg
Even verder op, in het park, was er de treurwilg, indrukwekkend groot. Een groene tent waar wij kleden onder legden en met poppen speelden. Het was spannend om bij hem naar binnen te gaan. Er konden enge mannen in verscholen zijn, of vervelende jongens, maar telkens bleek hij een veilige plek. De wilg in al haar treurnis stelde ons nooit teleur. Als het begon te regenen, konden wij nog een hele poos droog blijven. Hij werd voor mij een beeld van God. Zo zou God kunnen zijn. Een veilige schuilplek, die je troost, omdat hijzelf ook treurig is.

Omgezaagd?
In de loop van de tijd is er veel veranderd. Ik verliet het dorp en speelde niet meer buiten. De Slingebeek werd gekanaliseerd en een paar jaar later weer in oude slingerglorie hersteld. Het bosje werd gekapt en ingezaaid. Het park leverde vierkante meters in om een brede rondweg met rotonde ruimte te geven. De trouwe wilg heeft het allemaal zien veranderen. Nu is hij dood, onmiskenbaar. De volgende keer is hij misschien al omgezaagd. Als ik het park verlaat, met mijn vader, kijk ik nog één keer om naar de boom.  Ik pak zijn hand en vraag me af wat ik de volgende keer zal zien.